Paul Schnabel: ‘Scheefwoners hebben geen alternatief’
05 januari 2011
bron: Aedes-Magazine 25-26/2010
| U kunt reageren op de visie van Paul Schnabel of van gedachten wisselen met collega's in de community huur-en betaalbaarheidsbeleid. |
Mensen willen meer ruimte. Huishoudens worden steeds kleiner. Daarmee moeten corporaties in hun strategisch voorraadbeleid meer rekening houden, stelt SCP-directeur Paul Schnabel. Zonder de financiële realiteit uit het oog te verliezen. Want hoe moet dat dan met de betaalbaarheid, de doorstroming en de wachtlijsten?
Het wonen in Nederland verandert. De gezinnen worden kleiner, er komen steeds meer eenpersoonshuishoudens en mensen willen steeds meer ruimte hebben. Bovendien hechten mensen veel waarde aan hun tuin als buitenhuiskamer en willen ze hun auto voor de deur parkeren.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau doet al jaren onderzoek naar de kwaliteit van het wonen. Socioloog en directeur professor Paul Schnabel (62) ziet grotere huizen met minder bewoners en een verdubbeling van de kamers per persoon. ‘In een huis waar vroeger een gezin met vijf mensen woonde, zitten er nu nog gemiddeld 2,3. Nederlanders zijn welvarender geworden, willen meer comfort en meer ruimte voor hun hobby’s.’
Opmerkelijk is de plaats die de tuin en vooral de auto tegenwoordig innemen. Schnabel: ‘De tuin is veranderd in een buitenhuiskamer, met barbecue en dure bankstellen. Ga maar eens kijken in de grote tuincentra. En heel belangrijk voor het woongenot is ook de auto. Mensen willen die voor de deur parkeren. Als dat niet gaat, trekken ze weg. Vanwege het parkeerprobleem zijn veel nieuwbouwwijken mislukt.’
Bijna iedereen in Nederland heeft de wens om groter, groener en veiliger te wonen, met een tuin, ruimte om spullen op te bergen, een comfortabele keuken en minstens één badkamer, in een eigen energiezuinig huis, stelde Paul Schnabel in zijn lezing voor de MKW-corporaties onlangs vast.
Is het ideale huis van de Nederlander al dichterbij gekomen? U stelt dat de huidige woningvoorraad vooral in de grote steden niet aan de woonwensen voldoet. Er zijn te veel huurwoningen, ze zijn te klein, er zijn te veel flats en etagewoningen, te veel slechte woonmilieus en de wachtlijsten zijn te lang. Dat klinkt niet goed. Hebben corporaties zitten slapen?
‘Nee. De corporaties konden dit niet zien aankomen. Na de oorlog groeide de bevolking in Nederland drie keer sneller dan in de rest van Europa. In de jaren 50 stonden de corporaties daarom voor de opgave om zo veel mogelijk betaalbare huizen neer te zetten. In 1950 waren er 2 miljoen huizen voor 10 miljoen inwoners. In 2007 waren er maar liefst 7 miljoen huizen voor 16,5 miljoen inwoners. Nederland heeft daarmee een belangrijke prestatie geleverd en de corporaties hebben daarin een belangrijk aandeel gehad. Dat wordt vaak niet meegewogen.’
Die veranderende behoeften zijn duur. Hoe kun je als corporatie daar
nog op inspelen nu hun financiële positie in snel tempo verslechtert? Is meer
ruimte nog wel haalbaar?
‘Voor een deel zie ik al dat corporaties hun aanbod veranderen. Maar ruimte
heeft ook zijn prijs. Je kunt moeilijk villa’s gaan bouwen voor de typische
doelgroep van de corporaties. Dat is niet realistisch. Corporaties hebben ook
steeds minder vrij geld. Elke corporatie moet zelf de afweging maken tussen het
aanbieden van een fatsoenlijke woning en de prijs die ze daarvoor aan de
doelgroep wil vragen.’
Er bestaan lange wachtlijsten in de ‘drukke’ gebieden. Maar huishoudens worden steeds kleiner en mensen willen meer ruimte. Dat stelt veel corporaties voor de vraag: mag je een tweepersoonshuishouden dat al lang op de wachtlijst staat in een eengezinswoning plaatsen? Is dat niet zonde van de ruimte?
‘Vrijheid en privacy worden tegenwoordig hoog gewaardeerd. Niemand wil meer ergens inwonen. De ouderwetse hospita zie je ook bijna niet meer. Ook een eenpersoonshuishouden wil graag drie kamers. De behoefte aan woonautonomie is zo groot dat mensen lang op een woning willen wachten. En overigens, tweepersoonshuishoudens vinden een eengezinswoning niet gauw te groot!’
U noemt nog een trend: de netwerksamenleving. Mensen zijn dankzij goede snelwegen, snelle treinen en snelle internetverbindingen niet meer strikt gebonden aan één plaats. Op het platteland van Groningen bijvoorbeeld zie je hoe internetbedrijven floreren. Zou dat een trek naar krimpgebieden kunnen stimuleren?
‘Mensen hechten minder aan een vaste en vertrouwde plek. Je kunt veel contact met elkaar hebben zonder bij elkaar in de buurt te zijn. Maar dat betekent niet zoveel voor het wonen, zeker niet voor gezinnen met kinderen en met een partner die ook wil werken. Economische activiteit in een regio is de motor achter het wonen. Krimpgebieden liggen erg excentrisch en krimpen niet voor niets: jonge mensen trekken daar weg.’
Het onderzoek WoON 2009 van het ministerie van VROM en het CBS stelt
dat 89 procent van de bewoners zich tevreden of zeer tevreden voelt met hun
huis. Vooral ouderen, de hogere inkomensgroepen en de autochtonen zijn tevreden.
Welke gevolgen heeft dat voor de doorstroming?
‘Veel. Als mensen hun huis fijn vinden willen ze niet meer doorstromen. Meestal
komen ze tussen hun 30ste en 35ste levensjaar terecht op een plek waar ze niet
meer weg willen. De kinderen gaan er naar school, en ook als die het huis
uitgaan blijven de ouders zitten. Ze vertrekken pas als het fysiek echt niet
meer gaat. Het kabinet wil de doorstroming op de woningmarkt bevorderen. Maar je
kunt moeilijk mensen uit hun huis jagen. Dat verklaart ook het grote aantal
scheefwoners. Reken er maar niet op dat zij weggaan. Er is ook geen alternatief,
want er zijn te weinig goede huizen met een huur tussen de 650 en 1.000 euro.
Zolang er geen betaalbaar aanbod is, zal deze groep blijven zitten, zeker nu de
stap naar de eerste koopwoning zo groot is geworden.’
Welke kansen liggen er voor corporaties op dit gebied?
‘Dat weet ik niet. Corporaties moeten zich gaan beperken tot de financieel
zwakste groepen. Huurwoningen in de particuliere sector zijn relatief schaars en
voor de groep met een inkomen van net iets meer dan 3.000 euro bruto per maand
nauwelijks betaalbaar zonder huursubsidie. De stap naar een koopwoning zullen
zij in de Randstad zeker niet gemakkelijk kunnen zetten!’
Het minst tevreden zijn de jongeren, de laagste inkomens en mensen
met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. Zij missen vooral ruimte buiten en in
huis. De woonomgeving is vaak rommelig en ontbeert rust, veiligheid en
gelijkgestemde bewoners. De groep minst tevredenen is precies de kwetsbare groep
die corporatiehuizen bevolkt. Hebben corporaties de zaak laten versloffen?
‘Nee. Nederland heeft een hoog percentage sociale woningen van hoge kwaliteit.
In het algemeen is men heel tevreden. Maar in sociale huurwoningen is men minder
tevreden. Als je per se in het centrum van Amsterdam wilt wonen, dan zul je
genoegen moeten nemen met een klein appartement. Huurders hebben ook een eigen
verantwoordelijkheid. Ze kunnen zelf iets doen als ze zich niet tevreden voelen.
Verder is het de taak van de corporaties om de woonomgeving veilig en netjes te
houden samen met de gemeente. Soms ook woonmaatschappelijk werk. Ik denk dat de
corporaties heel goede afspraken moeten maken met de gemeente over wie wat
doet.’
Demograaf Jan Latten, die onlangs nog de Heerma-lezing uitsprak,
onderscheidt voor een deel dezelfde trends als u. Maar hij noemt apart nog de
segregatie. Zoals al eerder gesteld horen Turken en Marokkanen tot de minst
tevreden bewoners. Ze wonen vooral in de goedkope naoorlogse stadswijken, hebben
relatief grote en jonge gezinnen, hebben een laag inkomen of zijn afhankelijk
van een uitkering. Dat escaleert soms, zoals in Culemborg en Gouda. Laten
corporaties hier een kans liggen?
‘Segregatie gebeurt. De politiek heeft het prachtig bedacht dat menging goed zou
zijn. Maar segregatie is een natuurlijk proces. Als je mensen de vrijheid geeft
kiezen ze ervoor om met gelijkgestemden in de buurt te wonen. De behoefte aan
OSM noem ik dat (Ons Soort Mensen). Zelfsegregatie heeft zijn voordelen. Maar
tot nu toe zie ik nog maar weinig succesvolle experimenten op het gebied van
multicultureel bouwen. Succesvolle allochtonen nemen steeds meer de
woongewoontes van de autochtonen over.’
Er is in Nederland een heel grote groep ontevreden mensen. Dat zie je
aan bijvoorbeeld de opkomst van partijen als de PVV. Zij wonen voor een
belangrijk deel in corporatiewoningen. Kunnen corporaties iets doen aan die
onvrede en zo ja, wat?
‘Maatschappelijke onvrede is iets heel anders dan ontevreden zijn over je
woning. Maar wie slecht woont zal zeker ook verder niet erg tevreden zijn. Het
omgekeerde geldt niet. Ook wie heel goed woont, kan erg ontevreden zijn met de
samenleving.’
Wat raadt u corporaties aan voor de toekomst?
‘Blijf goedkope huurwoningen aanbieden aan mensen die alleen een lage huur kunnen betalen, zoals eenoudergezinnen, arbeidsongeschikten, allochtonen, langdurig werklozen en armen. Zij lopen het grootste risico op sociale uitsluiting. Houd vooral in het strategisch voorraadbeleid rekening met de woonwensen.
Ruimte is duur en op veel plekken schaars, ga daar flexibel mee om. Want het moet wel betaalbaar blijven. En zet dingen op die bewezen goed werken. Let op de verschillende functies in de wijk, betrek de bewoners bij de wijk, zorg voor een heldere plattegrond. En blijf alert op alles wat vies, onveilig, kapot, leeg en verwaarloosd is.’
Meer weten?
De onderzoeksgroep Wonen, Leefbaarheid & Veiligheid (WLV) van het SCP
onderzoekt de relatie tussen de mens en zijn leefomgeving. Hoe wonen mensen? Is
de woonomgeving veilig? Hoe beleven mensen hun leefomgeving? Daarnaast kijkt WLV
naar de mobiliteit van mensen. Informatie hierover op
www.scp.nl, zoekterm wonen.